Hoe wordt van ondernemers verwacht dat zij bijdragen aan CO₂-reductie?
Wat betekent de energiebesparingsplicht voor jouw bedrijf? Lees voor wie deze geldt en welke maatregelen bijdragen aan minder energieverbruik en CO₂-uitstoot....
ABRvS 5 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4600
Appellant had een vergunning om van 8 november tot en met 3 december 2021 een steiger op het trottoir bij zijn pand aanwezig te hebben. Hij was op 3 december 2021 nog niet klaar met zijn werkzaamheden en heeft de steiger daarom laten staan. De toezichthouders hebben, naar aanleiding van een melding, op 22 december 2021 geconstateerd dat de steiger nog aanwezig was. De toezichthouders hebben appellant op die dag telefonisch meegedeeld dat de steiger uiterlijk op vrijdag 24 december 2021 verwijderd zou moeten zijn. Op 24 december 2021 hebben de toezichthouders opnieuw een controle uitgevoerd waarbij is verzocht de steiger binnen een uur, te weten voor 15.00 uur, te verwijderen. Hierbij is gezegd dat de steiger anders op kosten van appellant zal worden verwijderd door een steigerbouwer die namens de gemeente ter plaatse aanwezig was. Appellant heeft hieraan gehoor gegeven en de steiger door zijn eigen steigerbouwer laten verwijderen. Daarna heeft appellang het college verzocht om de mededeling van 24 december 2021 op schrift te stellen. De gemeente heeft dit verzoek geweigerd.
De rechtbank heeft geoordeeld dat, anders dan appellant betoogt, geen sprake is van spoedeisende bestuursdwang, omdat appellant de steiger zelf op tijd heeft laten verwijderen en het college daarom juist niet is overgegaan tot toepassing van spoedeisende of superspoedeisende bestuursdwang. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat er ook geen sprake is van een mondeling opgelegde reguliere last omdat zo’n last alleen bij besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom alleen schriftelijk kan worden opgelegd. Een mondeling geboden kans om de overtreding op te heffen, kan daarom niet worden aangemerkt als een last onder bestuursdwang. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3550.
Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt verstaan onder een last onder bestuursdwang: de herstelsanctie, inhoudende:
Deze sanctie bestaat dus uit twee elementen. Een opgelegde last om de overtreding te beëindigen en/of ongedaan te maken en de bevoegdheid voor het bestuursorgaan om dit zelf te doen als de overtreder dit niet tijdig doet. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is dus niet doorslaggevend of het bestuursorgaan al dan niet daadwerkelijk is overgegaan tot toepassing van de bestuursdwang. De bedoeling van een gewone last onder bestuursdwang is namelijk primair om de overtreder aan te zetten tot het zelf ongedaan maken van de overtreding zodat toepassing van bestuursdwang wordt voorkomen.
Naast de gewone last onder bestuursdwang voorziet de Awb in artikel 5:31 in de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen te besluiten bestuursdwang toe te passen zonder voorafgaande last of, indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang toe te passen. In het laatste geval wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit bekendgemaakt. Kenmerkend element van deze vormen van spoedeisende bestuursdwang is dat de overtreder niet eerst zelf de gelegenheid wordt geboden om de overtreding ongedaan te maken.
Omdat appellant in dit geval de gelegenheid is geboden de overtreding zelf te beëindigen, is volgens de Afdeling alleen al daarom geen sprake van spoedeisende bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31 van de Awb.
De handelwijze van het college heeft volgens de Afdeling alle kenmerken van een gewone last onder bestuursdwang. Ingevolge artikel 5:24 van de Awb omschrijft de last de te nemen herstelmaatregelen, vermeldt deze de termijn waarbinnen deze moet worden uitgevoerd en wordt deze bekend gemaakt aan de overtreder. Aan al deze kenmerken is volgens de Afdeling voldaan. Op 22 december 2021 is aan appellant als overtreder medegedeeld dat de steiger uiterlijk op 24 december 2021 moest worden verwijderd. Op 24 december 2021 is aan hem medegedeeld dat de steiger uiterlijk op die dag vóór 15:00 uur moest worden verwijderd. Appellant mocht in dit geval op 24 december 2021 ook begrijpen dat hem een last onder bestuursdwang werd opgelegd en dat niet enkel werd verzocht om een overtreding te beëindigen, juist omdat de toezichthouder op 24 december 2021 werd vergezeld door een steigerbouwer die klaar stond om door feitelijk handelen de last uit te voeren als appellant hieraan niet zelf zou voldoen.
Oordeel Afdeling: mondelinge last gelijk aan schriftelijk besluit
Op de zitting is door het college toegelicht dat het college bij voorkeur op deze manier te werk gaat en, als een overtreder voldoet aan de last en de overtreding zelf tijdig beëindigt, deze niet op schrift wordt gesteld. Door de last onder bestuursdwang niet op schrift te stellen, wordt echter niet voldaan aan één van de vereisten voor het aannemen van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Omdat een belanghebbende alleen tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter, zou dit tot gevolg hebben dat geen rechtsbescherming bij de bestuursrechter open staat tegen een op deze wijze mondeling opgelegde last onder bestuursdwang.
De Afdeling is van oordeel dat tegen een mondeling opgelegde last onder bestuursdwang rechtsbescherming open moet staan bij de bestuursrechter. De bestuursrechter is , anders dan de civiele rechter, bij uitstek aangewezen is over een dergelijk bestuursrechtelijk geschil te oordelen.
In dit geval heeft appellant een beroepsmogelijkheid bij de bestuursrechter gecreëerd door bezwaar in te dienen tegen de weigering de last op schrift te stellen. De Afdeling ziet echter uit oogpunt van efficiënte rechtsbescherming aanleiding de mondeling opgelegde last, inhoudende om voor 15:00 op 24 december 2021 de steiger te verwijderen, gelijk te stellen met een besluit. Het gevolg hiervan is dat het college de inhoudelijke bezwaren van appellant tegen de opgelegde last dient te behandelen en daarover een besluit op bezwaar dient te nemen. Appellant dient in de gelegenheid te worden gesteld deze inhoudelijke bezwaren toe te lichten in een bezwaarprocedure.
Deze uitspraak laat zien dat in geval van een mondelinge mededeling die verder gaat dan een enkele waarschuwing en waarbij wordt aangegeven dat de gemeente bij niet-naleving zal ingrijpen sprake kan zijn van een last onder bestuursdwang. Hoewel de keuze voor deze informele en laagdrempelige aanpak praktisch en efficiënt lijkt voor de gemeente, kan het de rechtsbescherming van de overtreder onder druk zetten. Het ontbreken van een schriftelijke vastlegging kan namelijk leiden tot bewijsproblemen en juridische discussies. Het is daarom raadzaam om een dergelijke mondelinge mededeling alsnog schriftelijk vast te leggen.
Loop je als gemeente of overheidsorganisatie tegen juridische vraagstukken aan of zoek een partij voor advies en uitbesteding? Neem gerust contact op met Nuray Koyak via n.koyak@lybrae.nl of 06 11 29 40 22 voor een vrijblijvende kennismaking.
Wat betekent de energiebesparingsplicht voor jouw bedrijf? Lees voor wie deze geldt en welke maatregelen bijdragen aan minder energieverbruik en CO₂-uitstoot....




Een verlopen vergunning, een achtergebleven steiger en ingrijpen door de gemeente. Wat begon als een tijdelijke situatie mondde uit in een juridisch geschil over de vraag of het gemeentelijk optreden ...




Wat is het verschil tussen een OPA en een BOPA? Lees wanneer een initiatief binnen het omgevingsplan past en wanneer hiervan wordt afgeweken....